Wrote letter of 1715-03-26 (AB 313 SB XVI) to Antony Cinck

Date: 
March 26, 1715
Standard reference information
Cole's number: 
206
AB/CL number: 
313
AB/CL volume: 
17

Leeuwenhoek's inhoudsopgave, summary of the contents, for Send-Brieven XVI. My translation and emphasis.

Vordere bewyzen dat de Vleeschfiertjes zoo wel als de Trekkers ook Trekkers mogen genoemt worden. Het Vleeschfiertjes uyt het achterbeen van een jonge Muys ten dien eynde onderzocht. In een welgestelde muscul word geenen Trekker eenig geweld aangedaan, of de Vleeschfiertjes moeten dat geweld ook lyden. Uytreekening hoe veel de Vleeschfiertjes, in een zekere groote van geweld, te lyden hebben.

Twee Trekkers die van beneden in den muscul opklimmen; en twee die van boven in den muscul daalen: zynde met malkander niet vereenigt als door Vleeschfiertjes. Van de omwentelende inkrimpingen en uytrekkingen, dewelke in de Trekkers en Vleeschfiertjes gevonden worden. Waarom dezelve doorgaans niet gezien worden. De Vleeschfiertjes moeten al het geweld ook lyden dat aan de Trekkers word aangedaan. En aan de Trekkers, die van beneden komen, word geen geweld gedaan, or de bovenste Trekkers lyden het ook.

De vliezen, of membraanen, door de musculen loopende, en zich taksgewys door de vleeschfiberen verspreydende, maaken dat dezelve Vleeschfiberen malkenderen niet aanraaken; en aldus beschermt zyn in tyde van quetzinge of stootinge van de vleeschfiberen. Hoe de uytrekkingen en inkrimpingen van de Trekkers en vleeschfiberen geschieden. Verbeelding van die uytrekkingen en inkrimpingen door een koperdraadje, dat om eene schryfpenne was gewonden.

De Visfibertjes van een Kabeljauw ook met vliesjes omwonden. De Trekker omtrent de groote vinne, dicht by een Kabeljauws-hoofd, nagezocht: en bevonden dat de Vleeschfiertjes aldaar voor Trekkers verstrekken. Het zelve doen doorgaans alle de Vleeschfiertjes, die met beyde haare eynden in de vliezen van Trekkers zyn gehecht.

Yder Vleeschfiertje ook omkleedt met een vliesje. Menigvuldige dunne fibertjes, waar uyt een Vleeschfiertjes bestaat. Onderzoekingen omtrent de huyt van een Kabeljauw.

Further demonstration that the flesh fibers as well as the pullers [tendons; Dutch "Trekkers"] may also be called pullers. The flesh fibers from the back leg of ayoung mouse examined to their end. In a well formed muscle no pullers are subject to any force but that the flesh fibers must also bear that force. Calculating how much the flesh fibers have born, of a certain degree of force.

Two pullers that climb up from the bottom of the muscle; and two that descend into the muscle from above: not being joined with each other as by flesh fibers. Of the spiral ridges and stretchings, which are found in the pullers and flesh fibers. Why the same are not seen generally. The flesh fibers must all bear the force that is done to the pullers. And the pullers, that come from below, bear no force that the highest pullers don't also bear.

The sheaths, or membranes, running through the muscles, and themselves spreading branch-like through the flesh fibers, make it so that the same flesh fibers do not touch each other; and thus over time are protected from injury or pushing from the flesh fibers. How the stretching and relaxing of the pullers and flesh fibers happen. Representation of the stretching and relaxing through a copper wire, that was wound around a writing pen.

The fish fibers of a cod also wrapped with sheaths. The puller close to the large fin, near the cod's head, examined: and found that the flesh fibers there are supplied with pullers. The same happens generally with all the flesh fibers, that at both its ends is attached to the sheaths of the pullers.

Each flesh fiber also covered with a sheath. Various thin fibers, which a flesh fiber is composed of. Examinations regarding the skin of a cod.