Wrote letter of 1717-03-06 (AB 332 SB XXXIII) to Members of the Royal Society

Date: 
March 6, 1717
Standard reference information
Cole's number: 
223
AB/CL number: 
332
AB/CL volume: 
18
Leeuwenhoek's summary

Leeuwenhoek's inhoudsopgave, summary of the contents, for Send-Brieven XXXIII. My translation and emphasis.

Veelvuldige parken in de Trekkers, bestaande uyt zeer kleyne lange deeltjes. Die parken door vliezen afgescheyden. Een Trekker, als hy in een muscul zal gevestigt worden, word wel verdeelt in duyzent Trekkers. Trekker van beneden, en Trekker van boven koomende, beschreven. De vleeschfibertjens zyn aan de Trekkers vereenigt door vliezen.

Waarom dat de groote Trekkers van Ossen of Schaapen niet al te wel konnen afgetekent worden. De groote Trekker, uyt het achter-quartier van een vetten Hamel, aan schyven gesneden. Groote menigte van vetdeelen in de vliezen van den Trekker gevonden. Dit gebeurt zeer zelden. Reden van al dat vet. Indien dezelve Hamel dagelyks had moeten loopen, souden zoo veele verdeelen tusschen de vliesen van den Trekker niet gelegen hebben.

Hoe dat men den Trekker, by voorbeld van een Hen, moet opsnyden, om de gemelde vereeniging van den Trekker en de vleeschfibertjes te konnen zien. Het vlies, 't welke de Trekkers omkleedt, verdelt zich in spranken; en deze spranken verdeelen zich weder in kleynder spranken, waar uyt de parken ontstaan; die zich weder in kleyne Trekkers verdeelen. Daar de vliezen zich in den Trekkers verdeelen, leggen dikwils twee bloed-vaten. Somwylen, doch zelden, loopt 'er ook een vat in de lengte van den Trekker; 't welke echter geen bloedvat schynt te wezen.

Seven or acht kleyne Trekkers, synde de deelen van een grooten Trekker, hebben yder hunne omwentelende deelen. De omwentelende deelen van een Trekker afgebeeldt en beschreven. Die omwentelende gedaante is ook in alle vleeschfibertjes. De vleeschfibertjes lyden ook al het geweld, dan aan den Trekker word aangedaan. De deeltjes, waar uyt een kleyne Trekker bestaat, afgebeeldt. Die omwendelende inkrimpingen zyn ook, en konnen ook gezien worden, in de pooten van een Vlooy: ook in het vleesch uyt de poot van een Honigby.

Weynig onderscheyd in dikte tusschen de vleeschfibertjes van een Os, en die van een Honigby. De Trekkers van een Oester open-gesneden, om de omwentelende deelen op te zoeken; doch de inkrimping een uytrekking van deselven geschiedt door toevouwinge, dewelke beschreven word. Zoo een Trekker afgetekent: wonderlyk maakzel van den zelven, en van de streng daar de Oesters aan vast zyn. De Oesters alleenlyk vast aan eene streng.

Die streng moet het voedzel en den wasdom aan de schulpen toevoeren. De streng van den Mossel zeer gelyk aan de streng van een Oester; doch de Mossel is aan verscheyde strengen vast. De streng van een Mossel beschreven. Hoe dat de Mossel aan den grond vast gehecht moet worden, om door onweer niet weg te dryven. Mossel is een verwonderens-wardig schepzel.

Many beds in pullers [tendons; Dutch "Trekkers"], consisting of many small long parts. The beds separated by sheaths. A puller, when it will be fixed to a muscle, is divided into thousands of pullers. Puller coming from below, and puller from above described. The flesh fibers are joined to the pullers by sheaths.

Why the large pullers of ox and sheep can not be well depicted. The large puller, from the back quarter of fat sheep, cut into slices. Large multitude of fat pieces found in the sheaths of the puller. This happens very seldom. Reasons for all that fat. If the same sheep had run daily, there would not have been so many divisions between the sheaths of the puller.

How one may cut up a puller, for example from a hen, in order to be able to see the mentioned joining of the puller and the flesh fibers. The sheath, which covers the pullers, divides itself into shoots; and these shoots divide themselves again into smaller shoots, from where the beds originate; that themselves further divide into small pullers. Were the sheaths divide in the pullers, often two blood vessels lie there. Sometimes, though seldom, a vessel also runs the length of the puller; in which however there appear to be no blood vessels.

Seven or eight little pullers, since parts of a larger puller, each have their spiraling parts. The spiraling parts of a puller depicted and described. The spiraling is done also in all flesh fibers. The flesh fibers also bear all the force, that is done to the puller. The particles depicted, that the little puller is made from. The spiraling ridges are also, and can also be been, in the legs of a flea: also in the flesh from the leg of a honey bee.

Few differences in thickness between the flesh fibers of an ox, and that of a honey bee. The pullers of an oyster cut open, in order to seek out the spiralling parts; the relaxing and stretching of the same happens by folding over, which is described. Such a puller depicted; wonderful form of the same, and of the string there that is attached to the oysters. The oysters attached only with one string.

The string must supply the nourishment and full growth to scallops. The sting of a mussel very similar to the string of an oyster; the mussel is attached with various strings. The string of a mussel described. How the mussel must be attached firmly to the ground, so that it does not drift away in a thunderstorm. The mussel is an amazing creature.