Pieter Rabus wrote to Leeuwenhoek praising his accomplishments and including a laudatory poem

Date: 
August 18, 1693

Rabus also wrote poems that Leeuwenhoek included in the front matter to the Vijfde Vervolg (1696) and Sesde Vervolg (1697).

Document: 

Dutch text available at the ePistolarium

Mijn heer,

IS 't mijne voorspelling niet geweest, dat ik te Rotterdam noch in uwe kijkglazen zoude bezig zijn? Geloof my, 'k hebbe niet alleenlijk geduerende mijn wederkeeren na huis geen ander voorwerp van gedachten gehad, dan de gestadige erinnering van de by UE geziene wonderen, en verborgentheden der Nature, maar d'indrukselen van alle die gezichten speelden des nachts met d'allerwenschelijkste vermakelijkheden my slapende zoo vast voor oogen, min noch meer, als of ik in uw salet was: en op deze uere geniete ik een zielverlustiging door alle die denkbeelden; 'k wil zeggen, in dezen morgenstond komt my ik wete niet welk een dichtlust bekruipen, en aanporren, omme uw zeldsaam vernuft, ware het doenlijk, door vaarzen te verheerlijken.

Doorziende Man, die 't alvermogen
Der Godheid ziet met andere oogen
Als 't menschdom van alle eeuwen deed,
Hoe krijg ik nu bequame klanken
Om u na waarde te bedanken,
Voor uwe gunst aan my besteed.

Uw' glaze sleuteltjes ('k mag spreken
Met Huigens) fix om op te steken
Het zware nachtslot van Natuur,
Gaat nimmermeer uit mijn gedachten.
'k Zag, dat mijn oog niet kon verwachten.
O Fenix-kijker vol van vuer!

Mogt ik mijn oogen wel betrouwen,
Toen gy my konstig gaaft t' aanschouwen
Den wondren omloop van het bloed?
Ik moet, en wil, en zal het tuigen:
Voor dit gezicht moet alles buigen,
Wat een nieuwsgierig harte voed.

Bedrieg ik my? of slaan mijn zinnen
Door alles heen? en raak ik binnen
't Geheim-vertrek van yder dier?
Door u vertoond zoo net, zoo klaarlijk,
Van top tot teen, zoo openbaarlijk,
In al zijn t' zamenhang en zwier.

En schijne ik, van u afgescheiden,
Nog met mijn oog alom te weiden
Door 't kleine rondje van uw glas,
't Welk t' duizend duizendst van een zantje,
't Minst vezeltje van telg of plantje
Volmaakt vergrootte zoo als 't was?

Dat is 't. Nu ben ik, afgezondert,
Te meer ontzet, te meer verwondert,
Als ik herdenke 't gene ik zag:
En met verbaastheid heb begrepen,
Wat uw vernuft (zoo net geslepen
Als 't glas) deed komen voor den dag.

Daar gy, niet zwerende in de woorden,
Die gy en ik voor dezen hoorden,
Een and'ren weg tot wijsheid baant,
En u in 't kijken niet laat storen
Van breede praters, naam-doktoren,
Of wie te blind is, of verwaand.

Elk diertje, van Natuur geschapen,
Voorzien met zijn byzonder wapen,
Hoe klein 't ook zy, verkiest zijn gaê,
En teelt zijn beeld in zeen of landen.
Deze onverbrekelijke banden
Behoeden 't wijd heel-al voor schaê.

En wil men d'Ouden dan gelooven,
Als om de waarheid te verdooven,
Dat uit bederf ooit schepsel quam?
Dat 's taal om kind'ren meê te paayen:
Die stink-lucht moest haast overwaayen,
Zoo dra uw oog het proefstuk nam.

Beschouwer der verborgenheden!
Uw zien bevestigt ons met reden
Waar uit dit oud vooroordeel rees.
't Was dat men niet genoeg beschouwde,
't Was dat men al te licht betrouwde,
't Geen niemand ooit met regt bewees.

Maar gy, met praatjes niet te vreden,
Zijt in het onderzoek getreden
Van yder lichaams-deel. Gy deed
Baarmoeders voor u open leggen:
Bevinding was uw troost: geen zeggen.
O heerlijke arbeid, dus besteed!

De zuiv're liefde tot de waarheid,
Die zelden voor het menschdom klaar leit,
Dreef uwe ziel, beroemde man;
Zoo lang die blijft uw' gezellinne,
En gy geraakt zijt door haar minne,
Zult gy meer zien, als yemand kan.

Hier toe wil God zijn zegen geven,
En u een lang voorspoedig leven.

UE ziet, hoe de Dichters zig konnen kittelen, als hen wat fraais voorkomt. Maar, eer ik besluite, gedoog, waarde Heer, dat ik u bidde wat spoed te maken met uwe volwrochte beschouwing wegens de voorttelinge van de Vloo, my door UE voor een groot gedeelte vertoond. 'k Ben verzekert, dat het uwen edelmoedigen aart eigen is, de geheiligde waarheid (die UE, boven anderen, zulk een genadigen toegang tot haar gegunt heeft) zoo veel glorie by te zetten, als in uw vermogen is; doch ik erkenne daar benevens, dat de drieste domheid in deze, nochtans zoo kennis-rijke, tijd, onwaardig is van haar bestraalt te werden, en van uw zweet gedient te zijn: waar uit die gene, welken uwe brave ontdekkingen aan 't hart leggen, somtijds niet zonder vreeze zijn, of UE der moeyte mogt vervelen van deze uwe jongst-bewerkte uitvinding der Vloo-teelt voor de wereld bloot te leggen, dewijl men noch dagelijks die walgelijke stelling, van dat 'er dieren uit verrotting voort komen, moet hooren, niet alleenlijk van mannen, die pas voor matrozen den Oceaan der schepselbeschouwing bevaren, maar ook van zulke, die d'eernaam van bedrevene stierluiden dragen, en hunne verrotte gevoelens, uit het oud Heidendom voortgezet, in dezen later Christentijd niet willen verbannen.

Maar om uwe wisse wetenschap van 't werk der nature in haar eensgezette wet wegens de voorttelinge van alle dieren klem te geven, en den tegensprekers, dien de waan der bedervinge te veel bedorven heeft, plotselijk den mond te stoppen, laat dog dat mensch-plagend beesje de Vloo in zijn wonderlijk maaksel en vorming, na zoo veel moeitens ondervonden, eenmaal ter drukpersse gaan, en geef den waardeerders van uwen naam in print ten besten, 't gene UE my door uwe vergrootglazen in wezen vertoond hebt. Laatze zien, zegge ik, de Vloo-eyeren, de wormkens daar uit voortgekomen, de popjes, en eindelijk de daar uit gespronge Vloon zelve, al t'zamen by UE in vervolg van tijd lijdzamelijk waargenomen. UE heeft ze dus verre gekoestert, geaast, gemest, en groot gebragt; ey laat ze eer lang door Neerland springen, van waar ze te post in Latijnsche, Italiaansche, Engelsche, en Fransche talen den naam van Leeuwenhoek verder zullen roemruchtig maken, en zoo wel bevestigen uwe onverwrikbare stelling van de welgeschikte voortteling der dieren, als uwe reeds-bekende vertooning van den omloop des bloeds, op een weêrgadelooze wijze in acht genomen.

Neem, vernuftige navorscher, mijne aanporringe in overleg, al was het enkel, om dat ik dit niet voor my, meer dan voor 't algemeene nut, wensche. Onderwijlen achte ik my gelukkig, d'eere te hebben, van in UE vriendschap te staan, zullende nimmer in gebreke blijven van te zijn

Mijn heer,
Rotterdam den 18 van Oogstmaand 1693.
de geheel Uwe
P. Rabus.

Sources